Bijensoorten  

In Nederland komen ruim 300 bijensoorten voor. 

Men onderscheidt eusociale bijen (waaronder de honingbij en de hommel) en solitaire bijen.
Eusociale bijen leven in een volk, solitaire bijen doen alles (nest maken, voedsel zoeken, ei leggen) alleen.
Wat betreft de eusociale honingbij kennen we in Nederland twee grote rassen: de Carnica bij en de Buckfast bij.

Onze honingbij leeft in een samenwerkingsverband van één koningin, tienduizenden werkbijen en enkele honderden darren (de mannetjes). De darren zijn er alleen gedurende het gedeelte van het jaar waarin de voortplanting moet plaatsvinden.
Uit telwerk is gebleken dat er maximaal zo'n 42.500 bijen in een volk zitten.

Zowel de koningin als de werkbijen zijn vrouwtjes, geboren uit bevruchte eitjes, maar alleen de koningin kan zelf ook weer bevruchte eitjes leggen. De darren worden geboren uit onbevruchte eitjes. De koningin wordt een koningin omdat ze als larf een speciaal voedersap (te weten koninginnegelei) krijgt.

De werkbijen maken voor de aanstaande koninginnen speciale cellen (moerdoppen, ook wel genaamd koninginnencellen), maar als er onverwachts iets met de koningin gebeurt kan het volk ook een nieuwe koningin maken uit een larf van een bevrucht eitje in een gewone cel. Die cel wordt dan snel achteraf aangepast (tot een zogeheten redcel).


Honing

Onze imkerij produceert enkel onbewerkte, rauwe honing.

De honing wordt nooit verhit en wordt in feite niet warmer dan kamertemperatuur. Op deze manier blijven alle waardevolle stoffen, zoals enzymen en stuifmeel, maximaal aanwezig.

Goed rijpe honing bevat weinig water. Liefst minder dan 17%. Deze honing is dan stroperig tot vloeibaar en daardoor niet alleen lang houdbaar ( > 1 jaar) maar ook heel smaakvol.

De honing wordt twee keer per jaar geoogst. In mei/juni wordt de Lentehoning geoogst. Deze honing is voornamelijk samengesteld uit nectar dat de bijen halen uit de bloesem van fruitbomen. De kleur neigt naar geel / donkergeel.

Eind juli is de tweede oogst op basis van nectar van met name Linde-, Acacia- en kastanjebomen. De kleur van deze honing is meer bruin-roodachtig tot donker indien er  bijvoorbeeld veel kastanje in aanwezig is.

Slingeren en afvullen van de honing gebeurt uiteraard in een schone omgeving. De honing wordt wel zorgvuldig gezeefd, maar niet gefilterd. Daardoor blijft alle van nature aanwezige stuifmeel in de honing.

De aanwezigheid van stuifmeel is soms zichtbaar door een klein beetje afzetting aan de hals van de honingpot.